Medicijnen en alcohol of andere drugs kunnen elkaars werking versterken of juist verminderen. Als het ene middel het andere middel op deze manier beïnvloedt, noemen we dat ook wel een interactie.
Los van de directe interacties van een drug met een medicijn kunnen drugs ook op een indirecte manier gevolgen hebben voor het effect van medicijnen. Als het gebruik bijvoorbeeld zorgt voor slaaptekort, maaltijden overslaan of het vergeten of niet volgens voorschrift innemen van jouw medicatie, kan dit onverwachte gevolgen hebben.
Hoe een depressie precies ontstaat, is niet helemaal bekend. Antidepressiva beïnvloeden bepaalde stoffen in de hersenen, zoals serotonine. Bij sommige mensen kunnen ze helpen om depressieve klachten te verminderen.
Wanneer je stimulerende drugs gebruikt, beïnvloeden deze middelen sterk de hersenen en je stemming. Daardoor kunnen depressieve klachten verergeren of terugkomen. Ook kan het herstel van een depressie langzamer gaan.
Interacties tabak/nictoine en antidepressiva
Roken kan depressieve klachten geven en/of verergeren. Wanneer je hier last van hebt is het dus altijd verstanding om te stoppen met roken. Stoppen met roken kan je ook tijdelijk depressief, somber of prikkelbaar maken (dysforie). Deze klachten na het stoppen met roken zijn altijd tijdelijk (ca. 3 maanden)
Mirtazepine, fluvoxamine, amitriptyline, clomipramine, imipramine, nortriptyline zijn allemaal minder goed werkzaam wanneer je rookt. Fluvoxamine wordt bijvoorbeeld via het enzym Cyp-1A2 versneld afgebroken wanneer je rookt. Wanneer je stopt met roken gaan deze middelen allemaal beter werken. Soms is het nodig om de dosis aan te passen, overleg dit altijd met je voorschrijvend arts. Met andere antidepressiva zijn geen interacties bekend of kleine interacties zonder klinisch effect [18].
Depressie en antidepressiva in het algemeen
Wanneer iemand langere tijd een sombere stemming heeft en geen interesse of plezier meer beleeft, noemen we dat een depressie. Andere mogelijke kenmerken zijn vermoeidheid, een opgejaagd gevoel, slaapproblemen, denken aan zelfmoord, minder eetlust en gevoelens van schuld of waardeloosheid.
Een depressie komt veel voor: ongeveer 1 op de 4 mensen krijgt er ooit in het leven mee te maken.
In het lichaam geven hersencellen signalen aan elkaar door via chemische stoffen. Deze stoffen heten neurotransmitters. Serotonine is zo’n neurotransmitter en speelt een rol bij stemming, emoties en slaap.
Bij depressie kunnen verschillende processen in de hersenen een rol spelen, waaronder systemen waarin serotonine betrokken is. Hoe dit precies werkt, is nog niet helemaal duidelijk.
Kortom: als iemand depressief is, betekent dit niet dat er simpelweg een tekort aan serotonine is. Depressie is een complexe aandoening waarbij vaak meerdere factoren een rol spelen, zoals biologische, psychologische en sociale factoren.
Er is een theorie, de mono-amine theorie, die stelt dat veranderingen in bepaalde neurotransmitters in de hersenen een rol kunnen spelen bij depressie. Het gaat daarbij onder andere om serotonine, dopamine en noradrenaline.
Tegenwoordig weten we dat depressie waarschijnlijk door meerdere factoren wordt veroorzaakt en dat het niet simpelweg gaat om een tekort aan één bepaalde stof. Antidepressiva beïnvloeden systemen in de hersenen waarin onder andere serotonine een rol speelt. Bij sommige mensen kunnen deze medicijnen daardoor depressieve klachten verminderen.
Veel mensen met een depressie zoeken professionele hulp. Vaak beginnen mensen bij de huisarts. Die kan doorverwijzen naar psychotherapie, medicatie of een combinatie van beide.
Antidepressiva
Antidepressiva zijn medicijnen die de klachten van een depressie verminderen. Hoe antidepressiva precies werken is onbekend. Wel is bekend dat antidepressiva op korte termijn het aantal neurotransmitters (serotonine, dopamine, noradrenaline, etc) doen toenemen, en wel op de volgende twee manieren:
- Het remmen van de heropname van serotonine (voorkomen dat eenmaal afgegeven serotonine weer teruggaat naar de zenuw)
- Het voorkomen dat eenmaal afgegeven serotonine wordt afgebroken
Hierdoor herstelt de balans van serotonine in de hersenen en nemen de klachten meestal af: je wordt minder somber en kunt weer plezier beleven in het dagelijks leven.
Antidepressiva zijn onder te verdelen in de volgende drie groepen: de serotonineheropnameremmers (SSRI’s), de tricyclische antidepressiva (TCA) en de monoamino-oxidaseremmers (MAO-remmers) [1,3]. MAO-remmers zijn gevaarlijk vanwege de vele wisselwerkingen met andere geneesmiddelen en bepaalde voeding, daarom worden ze alleen nog voorgeschreven in uitzonderlijke gevallen [1,4].
Tricyclische antidepressiva (TCA)
Tricyclische antidepressiva (TCA) hebben onderling qua samenstelling veel met elkaar gemeen, maar verschillen qua effect en bijwerkingen. TCA remmen de heropname van zowel serotonine als noradrenaline, zodat deze stoffen langer in het lichaam blijven [5]. Je kunt bij gebruik van TCA last krijgen van bijwerkingen als verwardheid, verstopping, sufheid, slaperigheid, droge mond, problemen met het zien, onrust, spanning en een verminderde behoefte aan seks.
Voorbeelden: amitriptyline (Tryptizol®, Sarotex®), imipramine, clomipramine (Anafranil®), doxepine (Sinequan®) nortriptyline (Nortrilen®).
Serotonineheropnameremmers (SSRI’s).
Serotonineheropnameremmers (SSRI’s) remmen de heropname van serotonine, zodat deze stof langer in het lichaam blijft [4]. Het verschil met TCA is dat SSRI’s selectiever werken, dat wil zeggen bij de gebruikelijke dosis alleen op de serotonine-opname. SSRI’s kennen andere bijwerkingen dan TCA’s, namelijk maag- en darmklachten, misselijkheid, hoofpijn, angst, verwardheid en onrust.
Voorbeelden: citalopram (Cipramil®), fluoxetine (Prozac®), fluvoxamine (Fevarin®), paroxetine (Serotax®) en sertraline (Zoloft®).
MAO-remmers [6]
MAO-remmers vertragen de afbraak van onder andere de stoffen norepinefrine, serotonine en dopamine [1,6]. MAO-remmers oefenen hun effecten uit in het hele lichaam. Ze kennen soortgelijke bijwerkingen als de SSRI’s en in het begin van gebruik vooral slaapstoornissen en misselijkheid. MAO-remmers zijn erg gevoelig voor combinaties met andere medicatie en eten wat (veel) tyramine bevat. Het kan daarom levensgevaarlijk zijn om bijvoorbeeld bier van de tap te drinken.
Voorbeelden: fenelzine (Nardil®) en tranylcypromine (Parnate®) en moclobemide (Aurorix®).
Infobronnen antidepressiva
- Farmacotherapeutisch Kompas (2008). Onafhankelijke geneesmiddelinformatie voor professionals in de zorg. (24 Nov.2008). http://www.farmacotherapeutischkompas.nl/
- Baan, C.A. & Hutten, J.H. & Rijken, P.M. (2003). Afstemming in de zorg. Een achtergrondstudie naar de zorg voor mensen met een chronische aandoening. RIVM-rapport 282701005.
- Nederlands Huisartsen Genootschap (2003). Depressieve stoornis (depressie). (24 Nov.2008). https://www.nhg.org/
- Nederlands Huisartsen Genootschap (2004). NHG-patiëntenbrief: antidepressiva. (23 Nov.2008). https://www.nhg.org/
- Alcoholinfo.nl (2000). Antidepressiva en alcohol. (24 Nov.2008).http://www.alcoholinfo.nl/publiek/veelgesteldevragen/resultaten/antwoord/?vraag=2543
- De Wit, R. & Sijes, M. (z.d.). Alle vragen en antwoorden. (24 Nov.2008).http://www.drugsinfoteam.nl
- Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (2007). Informatorium Medicamentorum. ’s Gravenhage: WINap
- Lexi-Comp Online™ Interaction Monograph, TCA
- Lexi-Comp Online™ Interaction Monograph, Selective Serotonin Reuptake Inhibitors / Alcohol (Ethyl)
- Touw, D. (2001). Interacties tussen geneesmiddelen en drugs, een nieuw terrein voor het bewakingssysteem. Pharmaceutisch Weekblad, jaargang 136 nr. 40.
- Geerlings, P.J. (1998). Populaire harddrugs. Geneesmiddelenbulletin, 32:39-47
- Baxter K. (Edited) (2005). 7th Edition Stockley’s Drug Interactions. London: Pharmaceutical Press.
- Dean, A. (2006). Illicit drugs and drug interactions. Pharmacist, jaargang 25 nr. 9.
- Vervaeke, H. (biomedicus). Serotoninesyndroom. (11 Jan.2009). Amsterdam
- Wikipedia, de vrije encyclopedie (2008). Paddo. (24Nov.2008).http://nl.wikipedia.org/wiki/Paddo
- Beysens, A.J.M.M. & Lenderink, A.W. (2003). Geneesmiddeleninformatie. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.
- Hall, M. & Buckley, N. (2003). Het serotoninesyndroom. Geneesmiddelenbulletin, 37:82-85.
- Zevin, S. & Benowitz, N.L. (1999). Drug interactions with tobacco smoking, an update. Clin Pharmacokinet, 36 (6): 425-438.